HET GELOOF IN DE VOORBESCHIKKING

WAT WORDT ER BEDOELD MET VOORBESCHIKKING

De zesde en laatste zuil van īmān, is het geloof in de Voorbeschikking (qadar en qaḍāʾ). Deze twee samenhangende begrippen vormen gezamenlijk hetgeen we onder de Voorbeschikking verstaan en zullen we hieronder definiëren.

Qadar
Het op voorhand toebehoren tot de kennis van Allah en Zijn bepaling van wanneer, waar en hoe alles gaat geschieden in het universum. Dit begrip kunnen we vertalen als “predestinatie”.

Qaḍāʾ
Het daadwerkelijk scheppen door Allah van al hetgeen Hij op voorhand heeft bepaald zodra het vastgelegde moment aangebroken is.

Het verband tussen deze twee begrippen is dat qadar het plan van Allah is waarin Zijn regelgeving en Zijn wil zijn verankerd, terwijl de qaḍāʾ de feitelijke uitvoering is van dat plan.

Degene die bepaalt wat er in het universum plaatsvindt en dit vervolgens schept, is Allah de Almachtige. Hij is immers de enige Schepper. Allah is in alle detail op de hoogte van het verleden en evenzo was hij en is hij bekend met alles dat nog gaat gebeuren in de toekomst. Zodra het vastgelegde moment is aangebroken, schept Allah datgene wat hij eerder heeft bepaald; het scheppen is overeenkomstig Zijn kennis en bepalingen. Niks geschiedt buiten Zijn kennis en bepalingen. Hij beveelt in zijn Qurʾān namelijk:

‘Geen enkele ramp treft de aarde of jullie zelf, of zij is opgeschreven in een Boek voordat Wij dit scheppen. Voorwaar, dit is heel gemakkelijk voor Allah.’ (Al-Ḥadīd, 57: 22.)

In een andere āya lezen we het volgende:

‘Zeg [o Muḥammad]: “Niets anders zal ons treffen dan hetgeen Allah ons heeft voorgeschreven. Hij is onze Beschermheer. Laat de gelovigen (muʾminīn) vertrouwen in Allah.’ (Al-Tawba, 9: 51.)

DE VERANTWOORDELIJKHEID VAN DE MENS

Een kritische vraag die kan rijzen is: indien Allah álles wat er in het universum gaat gebeuren al van tevoren heeft bepaald, hoe kunnen wij dan als mensen nog verantwoordelijk worden gehouden voor al hetgeen wij nalaten wat Allah ons heeft bevolen, en voor datgene wat wij ons veroorloven dat Allah juist heeft verboden? Immer, Allah heeft toch van tevoren vastgelegd hoe wij zullen handelen?

Deze vraag kunnen we als volgt beantwoorden: Allah heeft de mens geschapen en voorzien van een verstand (ʿaql), vrije wil (irāda) en een zeker vermogen (quwwa). Met deze eigenschappen is de mens in staat om onderscheid te maken tussen goed en kwaad om hier vervolgens ook naar te handelen. De persoonlijke keuzevrijheid van de mens hierin wordt al-irādat al-juzʾiyya genoemd. Afhankelijk van welke kant van het spectrum we kiezen met onze vrije wil en wensen, schept Allah in overeenstemming met onze keuze. Het is ongeoorloofd om een zonde te begaan met als argument dat Allah dit zo heeft bepaald; evenzo is volharden in het zondigen met als argument dat Allah het verrichten van een zondige handeling heeft voorbestemd een ongeldig excuus. Immers, wij kunnen ons optreden vóór onze handelwijze en ons optreden erna niet toeschrijven aan qadar en qaḍāʾ. We worden namelijk verantwoordelijk gehouden voor onze daden, die worden ingegeven door onze eigen vrije wil waarbij het eeuwenoude besluit van Allah zich manifesteert. Met andere woorden, het gehele proces van onze handelwijze wordt vormgegeven door onze eigen vrije wil – inclusief de aanloop naar de uitvoering van onze beslissingen – en de keuzes die we daarin maken kunnen we dus niet toeschrijven aan Allah.

Ter verduidelijking geven we hier een voorbeeld van. Een astronoom kondigt op voorhand een zonsverduistering aan op basis van sterrenkundig berekeningen. Zodra die dag aanbreekt, zien we inderdaad dat de zon wordt verduisterd. Wat is hier aan de hand? Vindt de zonsverduistering plaats als gevolg van de aankondiging ervan door de astronoom? Of maakt de astronoom slechts zijn vaststelling hiervan bekend in aanloop naar de zonsverduistering? Met andere woorden, wordt de zonsverduistering veroorzaakt omdat de astronoom dit tijdig heeft vastgesteld? Of is het zo dat de astronoom uitsluitend het waarschijnlijke plaatsvinden ervan vaststelt zonder dat hij zelf invloed heeft op de gebeurtenis?

In deze casus moeten we goed kijken naar de oorzaak-gevolgrelatie. Het leidt geen twijfel dat de aankondiging van de zonsverduistering een gevolg is van het plaatsvinden ervan, niet andersom: de zonsverduistering zelf is geen gevolg van de aankondiging ervan door de astronoom.

Op deze manier zijn al onze handelingen op voorhand bekend bij Allah. Al onze daden die wij verrichten op basis van onze vrije wil, behoren op voorhand al tot de oneindige kennis (ʿilm) van Allah en stelt Allah daarmee van tevoren het beloop van onze handelingen vast. Het is dus niet zo dat wij ertoe gedwongen worden daden te verrichten omdat Allah dat zo gewild heeft. In essentie weten wij ook niet wat Allah heeft bepaald over onze handelingen. In het overwegen om iets wel of niet te doen, beslissen we altijd op basis van onze eigen vrije wil, zonder enige druk van buitenaf.

DE VOORDELEN VAN HET GELOVEN IN DE VOORBESCHIKKING

Het geloof in qadar en qaḍāʾ heeft een aanzienlijke invloed op het leven van de mens. Degene die hier in gelooft zal geduldig zijn. Hij zal zich niet moedeloos voelen wanneer hij geconfronteerd raakt met onheil. Hij beseft dat dit valt onder de voorbestemming van Allah en zal geduld (ṣabr) tonen. Indien het onheil het gevolg is van zijn eigen fout, zal hij berouwvol zijn en zal hij dergelijke gedragingen vermijden vanaf dat moment. Hij zal zijn toevlucht zoeken bij Allah en Hem om hulp vragen en niet in wanhoop verkeren

RIZQ (LEVENSONDERHOUD)

Rizq staat voor levensonderhoud, oftewel voor het eten en drinken wat Allah aan alle levende wezens begunstigt, zodat zij in leven kunnen blijven. De Gever en Schepper van rizq is uitsluitend Allah. Niemand buiten Allah is in staat om rizq schenken. Allah zegent de mens met rizq op een manier die de mens verlangt. Indien de mens zijn levensonderhoud verwerft met ongeoorloofde en onrechtmatige middelen, dan begaat hij een zonde. Immers, Allah beveelt om alleen op geoorloofde en rechtmatige (ḥalāl) manieren rizq te bemachtigen en beveelt in Zijn Qurʾān het volgende:

‘O mensen! Nuttig van hetgeen toegestaan (ḥalāl) en rein (ṭayyib) is op de aarde.’ (Al-Baqara, 2: 168.)

DE DOOD

Allah heeft voor ieder levend wezen een bepaald levensduur vastgesteld. Het moment waarop dit eindigt, noemen we het einde van het leven, oftewel “de dood”. In religieuze termen noemen we dit “ajal”. Wanneer dit einde van de individuele mens is gekomen, geschiedt de dood. Het vervroegen of verlaten ervan is op geen enkele manier mogelijk. Degene die schept en in leven houdt, is Allah en Hij is ook degene die de dood schept. Buiten Hem is er geen schepper of doder. Iedere mens heeft een eigen unieke ajal; de mens die komt te overlijden als gevolg van een moord of een ongeluk, geschiedt vanuit zijn eigen ajal die vastgelegd ligt in zijn qadar.

VERTROUWEN (TAWAKKUL) EN ARBEID

Tawakkul houdt in het vertrouwen in Allah en verbondenheid met Hem. Dit vereist geestelijke inspanning van de mens. Allah schept de mens en voorziet deze van vele zegeningen. De mens behoort in al zijn bezigheden te vertrouwen op Allah en het resultaat daarvan af te wachten, na eerst zélf inspanningen te hebben geleverd.

Laten we ter illustratie kijken naar de arbeid van een boer. Een boer bezaaid tijdig zijn akker met de juiste methode en de vereiste inspanningen en verricht vervolgens tawakkul voor een goede afloop. Op deze manier voorziet Allah hem van levensonderhoud (rizq). In een ḥadīth zei de Profeet (vrede zij met hem) eens het volgende:

‘Indien jullie op de juiste manier tawakkul zouden verrichten naar Allah, zou hij jullie rizq schenken zoals Hij de (in de ochtend) vertrokken gehongerde vogels en (in de avond) teruggekeerde verzadigde vogels van rizq voorziet.’ (Al-Tirmidhī.)

Deze ḥadīth maakt duidelijk dat het nemen van eigen verantwoordelijkheid en het verrichten van inspanning een voorwaarde is om tawakkul te verrichten. Kijkend naar het voorbeeld in deze ḥadīth zien we dat rizq niet vanzelfsprekend is. Om hun honger te stillen zoeken de door Allah geschapen vogels zelf hun rizq op.

Zoals uit vorenstaande blijkt, houdt tawakkul niet in dat men zijn eigen verantwoordelijkheid en inspanningsverplichting verwaarloost door het argument naar voren te schuiven dat hem toch rizq toekomt van Allah. Net als met alle kwesties, geeft ook in deze kwestie profeet Muḥammad het beste voorbeeld. In al zijn bezigheden heeft hij pas tawakkul verricht nadat hij zichzelf heeft ingespannen om succes te bereiken. Degene die eens aan de Profeet vroeg: ‘Zal ik mijn kameel vastbinden, of zal ik hem loslaten en tawakkul verrichten?’ kreeg het volgende antwoord van de Profeet: ‘Bind eerst je kameel vast en verricht daarna pas tawakkul’. (Al-Tirmidhī.)

Iemand die zich inspant, de nodige maatregelen treft en vervolgens tawakkul verricht in de hoop op een goede afloop maar dit niet bereikt, zal niet wanhopen. Hij beseft immers dat hij voldaan heeft aan zijn inspanningsverplichting, maar dat Allah anders heeft beslist. Met die gedachte vindt hij troost. Iemand die deze overtuiging niet heeft, zal altijd twijfelen in zijn bezigheden en geen motivatie hebben om ergens aan te beginnen.

HET BELANG VAN ARBEID IN DE ISLAM

Allah heeft toegezegd elk levend wezen te voorzien van rizq en dat Hij ook diverse oorzakelijke factoren heeft geschapen om deze rizq te kunnen verwerven. Het behoort tot de menselijke plicht om deze oorzakelijke gronden op te sporen en de rizq op te zoeken waar Allah de mens mee begunstigd heeft. Het is ongepast om te denken dat rizq vanzelf de mens toekomt om vervolgens ook te leunen op tawakkul hierin. Dit valt namelijk niet onder tawakkul. Allah voorziet alleen degenen in levensonderhoud die actief hun rizq opzoeken en zich inspannen daarvoor. Het uitsluitend vertrouwen in qadar en qaḍāʾ, het verwaarlozen van de menselijke inspanningsverplichting en het nalaten van voorzorgsmaatregelen is een grote misstap. Eveneens is het ongeoorloofd om het zoeken van oorzakelijke factoren en oplossingen te beschouwen als een obstakel voor tawakkul. De uitdrukking “het werk komt van ons, het resultaat komt van Allah” omschrijft volledig de betekenis van het geloof in qadar. In essentie krijgt de mens alleen wat hij verdient, parallel aan zijn inspanningen (Al-Najm, 53: 39).